Als troost

Niemand wil het zijn

We luist’ren naar de dominee,

de woorden die hij zegt,

‘t klinkt alles zo onecht,

het lijkt zo’n tijd gelee’.

 

Van zieken, lang voor ‘t heden,

steeds zijn ze er geweest.

Aan wat men nu geneest,

ooit mensen overleden.

 

Toch wil ik het niet vragen !

Móét er een reden zijn ?

Het lijden, alle pijn,

het duister, al die dagen ?

 

Is ’t zo dat alles zin heeft,

een mens is om te kerven,

als voorbeeld soms moet sterven ?

daardoor, te kort geleefd !

 

Die vraag zal niet de mijne zijn !

Wat is komt eens ten goede,

wij zijn de strijd te moede,

echt niemand wil de pijn.

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Mijn engeltje

Nooit zal die eerste keer er zijn

nooit zal ‘t voor jou beginnen

Er denkend aan, het doet me pijn

ik kom niet uit mijn zinnen

 

Hard zoek ik naar de woorden om

te uiten, smart te delen

De noten vals, akkoorden krom

het lied valt niet te spelen

 

Geen eerste stapjes, geen geluid

geen stralend lief gezicht

Een kalme meid of een flapuit ?

Je oogjes blijven dicht

 

Slechts één ding is er nu voorgoed

en daar mag ik mee leven

Dat ik een engel heb ontmoet

al was het maar voor even

+++++++++++++++++++++++++++++++

De wens

De Sint die moest nog komen

toen zij was overleden

Dat was maar kortgeleden

het voelde nog als dromen

 

De juf vroeg alle kinderen

wat zij graag zouden krijgen

Hij stond erbij te zwijgen

in hoop de pijn te minderen

 

De and’ren vroegen snel

om speelgoedtrein en poppen

Kon hij de pijn maar stoppen

als redding door een bel

 

De allermooiste dingen hier

gewenst door klasgenootjes

Zelfs marsepein en worstenbroodjes

deden hem geen zier

 

De korte wens van hem deed zeer

ging met een traan gepaard

Het was met pijn bezwaard,

“Mag ik mijn moeder weer ?”

++++++++++++++++++++++++++++++++++

Samen op reis.

 Een moeder is steeds diegene

die haar kinderen heeft gekend

die met ze heeft geleden

vanaf het allereerst moment

Toen zij alleen in barensnood

door God zo mooi gemaakt

haar kinderen het leven bood

En steeds door Hem bewaakt

 

Het leven is geen paradijs

het kent zoveel gebreken

We worden oud en eigenwijs

van de weg soms afgeweken

Daar was altijd die moedertrouw

voor een kind van zoveel waarde

in goede tijden en in rouw

het onverklaarbaarste op aarde

 

Hoe kan ik zeggen het is goed

als een leven wordt verbroken

een kind verlaten verder moet

en vragen mij bestoken

‘t Warm gevoel dat ik heb voor ma

zal nooit echt overgaan

Ook nu zij samen is met pa

want daar twijfel ik niet aan

 

Het is echt waar dat daar bij God

geen pijn, slechts vreugde is

al wordt op aarde veel gespot

bij Hem is geen gemis

Zij is nu thuis door Hem begroet

in Zijn hemels paradijs

En hoe het hier nu verder moet

leert Hij ons op die reis

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Een kort leven

Het leven van een kat of hond

is veel korter, sneller rond

dan hoe wij een leven heten

al zullen wij ze nooit vergeten

 

Voor kinderen is een gebaar

we maken het wat minder zwaar

erbij betrokken en bezield

als bij een grafje wordt geknield

De laatste rustplaats wordt gevonden

voor kanaries, katten en dus honden

+++++++++++++++++++++++++++++++++++

Geen afscheid

Het raakt soms zo genadeloos

en lijkt zo onterecht

dat zelfs zonder gevecht

het einde kwam, meedogenloos

 

Vanuit het mens’lijk perspectief

is ’t ver beneden peil

Verwoorden ’t als geen stijl

en zoeken naar ’t motief

 

Omdat wij zo graag beseffen

hoe de Heer bepaalt

wie Hij al binnenhaalt

in onze ogen ‘t noodlot treffen

 

Maar door het vast geloof gesterkt

in Jezus naam te gaan

straks samen op te staan

Ons verstand daarvoor beperkt

 

Zo mogen wij dan bouwend op

nu tijdelijk ‘t gemis

een laatste hindernis

Zijn grote plan, vertrouwend op

 

Dan leven wij met pijn en smart

voelen het verdriet en zeer

want zij is hier nu niet meer

Maar voor altijd in ons hart

 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Nog samen

Een wandeling door bos, langs strand

je ziet ze lopen, hand in hand

Een ouder stel, getwee zien gaan

‘t ontlokt mij zomaar soms een traan

 

Dan denk ik aan hoe zij ‘t ervaren

de jaren die zij samen waren

In lief en leed veel meegemaakt

de één nog steeds de ander raakt

 

En voel de pijn wanneer gescheiden

het einde komt voor één van beiden

De ander eenzaam verder moet

verlatend gaand in d’ avondgloed

 

Ze loopt daar nog door bos, langs strand

nu niet meer samen, hand in hand

Maar met een stralend lieve lach

ze denkt terug aan toen die dag

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Na . . . gegaan

Als iemand is gegaan

wat blijft er dan bestaan

je weet het is voorbij

alleen, ‘t gekeerde tij

 

Het tij nooit meer te keren

het leven niet te weren

Wat was, voorgoed verleden

het was toch goed, tot heden

 

Verstrikt verward in zorgen

een valse start voor morgen

Of toch een nieuwe dag ?

Wees blij dat het nog mag !

 

Niet dat er iets gebeurd is

‘k beleef geen enk’le treurnis

het is gewoon wat ik zie

het voorgaande slechts fictie

 

Maar voor hen die ‘t kennen

gebruik ‘k hier mijn pen en

tracht zo wat troost te schrijven

en daarmee de pijn verdrijven

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Waar ga je heen, Hanna ?

And’ren zijn vertrokken

ze had er veel zien gaan

Tussen dwarrelende vlokken

in kou, en rijen staan

 

Gekleed op ’s zondags best

gepoetst zo goed het kon

Daar stond ze met de rest

te wachten op ‘t perron

 

Niemand kon verklaren

waar de reis hen brengen zou

Gelaten stil te staren

graag mee, weg uit de kou

 

Dit keer was ‘t ook haar beurt

haar naam stond op de lijst

Niet lang had zij gezeurd

nu mocht ook zij op reis

 

Nog snel even gewassen

de haren in een vlecht

kleren die niet meer pasten

wat gaf ’t, het was nu echt

 

De trein begon te rijden

van blijdschap, vreugd’ een sprong

Een eind kwam aan haar lijden

kleine Hanna, ze was zo jong

Advertenties